Beroerd
Is het waar naar geld? De leerkrachten doen hun werk misschien beroerd: hun verdiensten zijn dat ook.
Onderwijzers zijn in die tijd deels afhankelijk van de ouders, die voor het schoolgaan van het kind - al dan niet in natura - moeten betalen. Dat wordt regelmatig verzuimd.
De kinderen zullen het hebben gemerkt. De toorn van de meester zal de ‘wanbetalers' veelvuldig hebben getroffen.
Klaas van Millingen verdient in het jaar 1798 een schamele 134 gulden.
Daarvoor moet hij niet alleen onderwijzen, maar functioneert hij ook als koster en doodgraver.
Overigens woont hij wel gratis in een woning met hof en mag hij een stukje akker-en hooiland gebruiken.
Van Millingen is geen uitzondering. Veel plattelandsonderwijzers hebben -noodzakelijkerwijs- een tweede baan, als koster, voorzanger of doodgraver.
Het salaris is te weinig om van te leven en teveel om van te sterven, dat blijkt ook wel.
Voor de leerlingen is schoolgaan trouwens niet altijd mogelijk. Arme landarbeiders en kleuterboertjes hebben er vaak geen geld voor.
Kinderen zijn vooral in de zomer hard nodig bij het oogsten, hooien en koeien hoeden.
Zo laten overzichten van schooltjes in die tijd zien, dat het aantal leerlingen in de winter fors hoger is dan in de zomer.
Klaas van Millingen telt er vijftig in de winter, dertig in de zomer.
Overgang
In de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw wordt onderwijs steeds meer als noodzaak gezien. De wereld s in beweging.
In de Verlichting is het besef gedaagd, dat naast het geloof ook het verstand, de ratio, nuttig is bij het doorgronden van de wereld.
In Hall heeft het ‘kerkschooltje' , hoe erbarmelijk ook, bijna 100 jaar dienst gedaan.
Tot 1828 om precies te zijn.
In dat jaar wordt onder het opzichterschap van de metselaar Jan Uilenbrink een nieuwe school gebouwd. Het gebouw kost al met al 950 gulden. De provincie betaalt 150 gulden, de Hallse bevolking de rest.
Een kapitaal bedrag voor een gemeenschap die in het jaar 1819 uit 207 zielen bestond.
Vermoedelijk hebben de rijke boeren, waarvan er in de Marke Hall-Eerbeek er toch wel flink wat zaten, een fikse duit in het zakje gedaan. Het gebouw werd neergezet daar waar nu de Slatweg uitkomt op de
Dorpsstraat, schuin tegenover het huidige gebouw van de Vossestaart., zeg maar op de plaats waar nu nog het Meester Antvelink bankje staat.

Verbetering
De nieuwe school is een verbetering. Er is meer ruimte, meubilair, verwarming, ook is vermoedelijk het onderwijs een stuk beter af, al bedraagt de totale Brummense onderwijsbegroting in 1837 maar 409 gulden.
In 1795 is namelijk de Bataafse Republiek uitgeroepen. Nederland is nu een eenheid, er ontstaat wetgeving en zo komen er ook onderwijswetten.
In 1801 de eerste, lezen, schrijven, rekenen, en Nederlands worden verplichte vakken.
Nieuwe wetten volgen in onder meer 1857. 1889, en 1920. Het lager onderwijs wordt stukje bij beetje verbeterd.

Aardrijkskunde, geschiedenis, kennis van de natuur, meetkunde en zingen worden in het programma opgenomen.
Uiteraard worden hogere eisen gestel aan het onderwijzend personeel. Onderwijzers moeten voorgeschreven schoolboeken gebruiken, een toelatingsexamen doen en een bewijs van goed gedrag overleggen.
De Hallse school groeit. Steeds meer ouders beseffen dat de schoolgang hun kinderen kansen biedt die zijzelf niet hadden.
Een dubbeltje kan een kwartje worden, dankzij onderwijs. Op enig moment gaan 163 kinderen naar de dan veel te kleine school, verdeeld over zes klassen.
Geen wonder, het gebouw is in feite een streekschool.
Tweederde van de kinderen komt bijvoorbeeld uit Eerbeek, dat door de opkomst van de papierindustrie groeit. Maar ook kinderen uit Silven, Oeken, Coldenhove en Voorstonden zijn erop aangewezen.
In het midden van de negentiende eeuw beleeft de Hallse school zijn Gouden periode.
Tij
Maar het tij keert. Hall blijft een boerengemeenschap. In Eerbeek daarentegen begint de papierindustrie langzaam maar zeker te domineren. Het dorp krijgt in 1852 ook een school.
Oeken had zelfs een jaar eerder een schooltje geopend.
Steeds meer economische functies ontstaan in Eerbeek: winkeltjes, een smidse.
Koning Willem de eerste neemt in die jaren het initiatief tot de aanleg van het Apeldoorns Kanaal.
In 1858 begint de aanleg van het stuk tussen Dieren en Apeldoorn. Hall en Eerbeek, toch altijd een eenheid geweest, worden nu door een stuk infrastructuur gescheiden.
Eerbekenaren voelen er steeds minder voor om hun kinderen via de slechte landwegen naar de Hallse school te sturen.

Sluiten
In het begin van de twintigste eeuw is er klaarblijkelijk discussie in Brummen. De Hallse school is zo langzamerhand uitgeleefd en voldoet niet mee aan de eisen van de tijd.
Het gemeente bestuur overweegt in 1918 de school te sluiten en in Empe een nieuwe school te openen, die moet ook de Hallse scholieren bedienen.
Elf Hallse ouders schrijven een brandbrief aan de burgemeester. Ze wijzen op de grote afstand die hun kinderen moeten gaan afleggen.
In de boerengemeenschap Hall zijn de wegen onverhard. 's Winters, als regen de landwegen onbegaanbaar maakt, zal het voor de kinderen zo goed als onmogelijk zijn naar school te gaan. Het antwoord ontbreekt in de archiefstukken.
Is er verder gediscussieerd over de bouw van een nieuw gebouw in Empe? We weten het niet.
Het boerenbestaan zorgt voor meer problemen. In de periode globaal tussen de twee wereldoorlogen kent Nederland een zomer- en een wintertijd.
In de zomertijd moeten de kinderen een uur eerder naar school. Een schoolhoofd vraagt in een brief aan de gemeente of toch niet de oude tijd aangehouden kan worden.
Boerenkinderen moeten wel een uur eerder op om tijd op school te zijn, maar kunnen vanwege het vele zomerse boerenwerk niet eerder naar bed.
Te klein
De Hallse school blijft open. Maar in 1921 roert het bestuur van het Volksonderwijs de afdeling Brummen zich. De school is veel te klein.
De eerste twee leerklassen tellen 46 leerlingen, de overige vier nog eens bijna 50 leerlingen.
Kinderen zitten opgepropt, sommigen noodgedwongen veel te dicht tegen de kachel.
Delen van het onderwijs worden buiten gegeven als het weer het toelaat.